Onlangs zat ik bij Van der Valk met een ondernemer, zijn dochter en dé fiscalist. De fiscalist van pa. Ik was gevraagd omdat ‘de gesprekken wat stroef liepen’. Dat bleek een understatement. Vader en dochter werkten al vijf jaar samen, maar communiceerden vooral via mail en app. Zij deed de inkoop en stond op het punt aandelen te krijgen. “Ik mis waardering”, zei de dochter. “Dat kan niet”, antwoordde vader. “Die heb ik je vorige week gemaild.” De fiscalist knikte instemmend. Hij stond nota bene in de cc, dus dan was het zo.
De dochter bedoelde iets anders. Ze wilde horen dat ze het goed deed, dat haar vader zag wat ze had opgebouwd. Misschien zelfs dat hij trots op haar was. Vader begon ondertussen over percentages, waarderingsgrondslagen en een fiscaal aantrekkelijke overdracht. Toen de fiscalist uitlegde dat ze eigenlijk heel blij mocht zijn met wat er op papier stond, was de maat vol. Ze stond op en reed weg. Ik bleef achter met twee mannen die er weinig van hadden begrepen. Tot vader vertelde wat hij van plan was.
Hij wilde een aanzienlijk deel van zijn bedrijf aan zijn dochter overdragen. Omdat hij vond dat ze het kon. Hij vertrouwde haar met zijn bedrijf, medewerkers, klanten en een belangrijk deel van zijn vermogen. Voor hem wás dat waardering. Hij had alleen nooit verteld wat die aandelen voor hem betekenden.
En daar gaat het bij opvolging in familiebedrijven vaker mis. De ene generatie toont vertrouwen door verantwoordelijkheid, zeggenschap of aandelen over te dragen. De volgende wil horen waaróm zij dat vertrouwen krijgt: wat ziet u in mij, waar bent u trots op en wat moet ik nog leren?
Die vragen proberen families vervolgens te beantwoorden met waarderingsrapporten, fiscale constructies en aandeelhoudersovereenkomsten. Allemaal belangrijk, maar ze vervangen het gesprek niet.
Dat gesprek kwam er alsnog. Achteraf had vader op zijn manier dus ook gelijk. De waardering had hij inderdaad gemaild. Alleen de belangrijkste toelichting zat niet in de bijlage.